Nummer 42
Bijgewerkt op: 2 dagen geleden
Verdwaasd en ongelovig stonden ze in de keuken van hun ouderlijk huis. Nog met de jassen aan staarden ze naar de keukentafel, waar de spullen lagen die hun moeder gisteren nog droeg.
Een bril, wat ringen, haar horloge en een armband. Haar boodschappentas stond ook op tafel. De lege potjes zaten er niet meer in. Waarschijnlijk was ze op weg om die naar de glasbak te brengen. Ze liggen nu kapot op straat, op de plek van het ongeval.
Moeder verongelukte op vrijdagmiddag, op weg naar de supermarkt. Wat er dan op de kinderen afkomt, is niet te beschrijven. Het lijkt iets wat alleen in films gebeurt. Niemand kan bedenken dat dit haar einde zou zijn, of dat zoiets hen op latere leeftijd nog zou overkomen.
Maar dan: de politie aan de deur met het vreselijke nieuws, de beelden in de media voordat ze zelf weten wat er is gebeurd, een lange, gespannen en verdwaasde autorit naar het mortuarium en daarna naar het politiebureau.
En dan thuiskomen in de woning van hun moeder, waar alles nog staat zoals ze het achterliet.
Het lege koffiekopje nog op tafel.
Een teken van leven.
Ze komt toch zo aanfietsen met de boodschappen?
Net als altijd.
Zo vertrouwd.
Maar het blijft stil. En zo staan haar jongens daar. Volwassen mannen, maar ineens toch weer de kinderen die uitkijken naar hun moeder.
We gaan zitten. Geen koffie, want alleen moeder weet hoe dat ingewikkelde apparaat werkt. We praten kort en ik leg uit wat we stap voor stap gaan doen. Ik herhaal het nog een keer, want niet alles komt in één keer binnen. Stap 1 is de zorg voor hun moeder: haar overbrengen naar een fijne plek en haar kleden.
Mijn voorstel is om hun moeder weer naar huis te brengen. Naar haar vertrouwde stekkie, waar ze na het overlijden van haar man niet weg wilde. Thuis, bij zijn foto’s, de kaarsjes en alle vertrouwde spullen, voelde zij zich fijn.
We nemen de tijd voor de zorg en brengen hun moeder de volgende dag thuis. Ze ligt op een bed in de kamer. Als haar jongens binnenkomen, knielen ze bij haar neer, huilen ze hartverscheurend en leggen ze hun hoofd tegen haar schouder. Toch nog afscheid nemen. Met kippenvel sta ik gearmd met de schoondochter toe te kijken.
We regelen de uitvaart met zorg en aandacht. Steeds zitten haar jongens even bij haar of kijken ze om het hoekje. Is het niet te warm? Zit haar bloes nog goed? Zullen we er toch nog maar een dekentje overheen doen? Ze hield niet van koude voeten.
Tijdens het regelen van de uitvaart dwarrelt er uit het boekje met uitvaartwensen een labeltje van een theezakje. Zo’n labeltje met een vraag erop. De vraag is: “Waar zou je het liefste willen wonen?” Op de achterkant staat in haar handschrift het nummer 42. We weten niet wat het betekent.
Op de dag van de begrafenis staan we bij het geopende graf. Ondanks het onstuimige herfstweer is er juist op dat moment een strakblauwe lucht. In twee jaar tijd staan we voor de tweede keer bij dit graf.
En daar, half in het struikgewas, ligt aan de zijkant van het graf een bordje met een getal. Ik tik de zoon aan en wijs ernaar. Ook de andere zoon wordt erbij gehaald. Verbijsterd, maar ook met een glimlach, wetend dat ze nu is waar ze wilde zijn. Op nummer 42, het grafnummer. Bij haar geliefde Cees.



